De maakbare mens
Onder invloed van wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen krijgt het thema van ‘de maakbare mens’ steeds meer aandacht. Ook de gezondheidszorg wordt in toenemende mate geconfronteerd met de mogelijkheden die de biomedische wetenschappen bieden om de gezonde mens naar eigen smaak te perfectioneren. In de medische ethiek is dit thema benoemd als ‘enhancement’: het toepassen van genetische, medische of farmacologische kennis voor verbetering van menselijke eigenschappen. Die verbetering kan betrekking hebben op uiterlijk, prestatievermogen of persoonlijkheidskenmerken.
De bekendste voorbeelden van enhancement liggen op dit moment op het gebied van de cosmetische chirurgie en, meer verborgen, bij het gebruik van anabole steroïden in de sport. De indruk bestaat echter dat ook reguliere geneesmiddelen (bijvoorbeeld Prozac, Ritalin en Viagra) steeds vaker buiten medische noodzaak worden gebruikt. En in het komende decennium zullen zich waarschijnlijk in hoog tempo nieuwe middelen en methoden aandienen waarmee de gezonde mens zichzelf kan (laten) vormgeven. Die variëren van cosmetische gentherapie voor kaalheid en een nieuwe generatie angstremmers en stemmingsmodulatoren, tot psychofarmaca die cognitieve capaciteiten (concentratie, geheugen) versterken en een middel waarmee vrouwen hun seksueel functioneren zouden kunnen optimaliseren. In de ontwikkeling hiervan worden miljarden geïnvesteerd.
In onze samenleving heeft ieder meerderjarig en wilsbekwaam individu een eigen verantwoordelijkheid voor het gebruik van enhancers, althans voor zover hij daarmee anderen geen schade berokkent. De overheid dient zich in beginsel neutraal op te stellen tegenover opvattingen over persoonlijk welzijn die aan het dat gebruik ten grondslag liggen. Wel heeft zij een belangrijke verantwoordelijkheid op het gebied van waarborging van adequate voorlichting, bescherming van minderjarigen en wilsonbekwamen, kwaliteitsborging, bescherming van publieke goederen voor zover die door de toepassing van enhancers kunnen worden bedreigd, bewaking van de toegankelijkheid tot enhancement en stimulering van maatschappelijke discussie. Een van de vragen die daarin aan bod zou moeten komen is onder welke voorwaarden enhancement tot het takenpakket van een arts kan worden gerekend. Duidelijk is in ieder geval, dat die vraag niet op conceptuele gronden (bijvoorbeeld aan de hand van een concept van ziekte) worden beantwoord. Die vraag is normatief van aard en voor de beantwoording ervan zijn morele overwegingen beslissend.