Stamcellen
Een stamcel is een cel die langdurig in staat is zich te vermeerderen. Bovendien kan een stamcel uitgroeien tot gespecialiseerde celtypen, zoals een spier- of een levercel.
Embryonale stamcellen (stamcellen uit pre-implantatie-embryo’s) onderscheiden zich van somatische stamcellen (stamcellen uit weefsels van volwassenen en foetaal weefsel). Een belangrijk doel van stamcelonderzoek is de ontwikkeling van therapie voor ziekten, zoals de ziekte van Parkinson of diabetes mellitus.
Als celmateriaal voor transplantatiedoeleinden kan worden gekweekt, zijn afstotingsreacties een belangrijk probleem. Daarom wordt het gebruik van embryonale stamcellen, die zijn ontstaan door de kern van een lichaamscel van de te behandelen patiënt in te brengen in een ontkernde donoreicel, voorgesteld. Dit wordt ’therapeutisch kloneren’ genoemd. Het verschil met ’reproductief kloneren’ is dat geen gekloneerd individu op de wereld wordt gezet.
Ethische kwesties:
- Mag foetaal weefsel gebruikt worden voor transplantatiedoeleinden en zo ja, onder welke condities?
- Is het isoleren van stamcellen uit restembryo’s aanvaardbaar? En zouden met somatische stamcellen niet dezelfde resultaten te bereiken zijn?
- Is het toelaatbaar om embryo’s te doen ontstaan voor onderzoek en (uiteindelijk) therapie?
- Wat te denken van het aanbod van commerciële bedrijven aan aanstaande ouders om het navelstrengbloed (met daarin bloedvormende stamcellen) van hun pasgeborene op te slaan zodat het beschikbaar is als het kind in zijn latere leven stamceltherapie nodig mocht hebben.