‘Ik kom zo bij u…’ – De ethiek van zorgen in tijden van schaarste
Verslag van het vijfde Morele Wezens-debat in de Rode Hoed

Maandagavond 28 september 2026

Menno Govaers is masterstudent Applied Ethics aan de Universiteit Utrecht en liep van februari tot juli stage bij het CEG. Van zijn hand hieronder een verslag van de vijfde editie van Morele Wezens in de Rode Hoed, het podium voor denkwerk in uitvoering. Dit keer over de ethiek van zorgen in tijden van schaarste.

Beeld: Luc Wittebol

Op maandag 28 september stond de Rode Hoed in het teken van schaarste in de zorg en de morele impact daarvan op zorgverleners. Aanleiding was het rapport van het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG), “Ik kom zo bij u…” Verpleegkundigen, verzorgenden en begeleiders onder druk door personeelstekort. Onder leiding van moderator Shula Tas verkenden de aanwezigen hoe we als samenleving goed kunnen blijven zorgen in tijden van schaarste.

De avond begint met een indringend audiofragment. Stemmen van zorgverleners buitelen over elkaar heen. Ze vertellen over hun wens om iedereen te helpen, maar dat de context waarin zij moeten werken dit niet mogelijk maakt. Na de slotzin - “Ik kom zo bij u…” - valt er een doodse stilte in de zaal. De emoties zijn direct voelbaar. Uit de zaal klinkt herkenning over de machteloosheid op de werkvloer: van medewerkers die met koorts doorwerken om collega’s te ontzien tot situaties waarin er simpelweg te weinig personeel is om mensen te helpen. Martine de Vries (kinderarts, hoogleraar Normatieve aspecten van de geneeskunde en voorzitter van de CEG-commissie) benadrukt dat schaarste niet alleen organisatorisch schuurt, maar ook voor diepe morele stress zorgt. Zorgverleners willen intrinsiek het goede doen, maar worden daarin klemgezet door externe factoren – met alle machteloosheid, frustratie en gevoelens van falen van dien. Wanneer er structureel te weinig mensen zijn om de zorg te bieden die nodig is, moeten we antwoorden vinden op grotere vragen: wie krijgt zorg, welke zorg vinden we belangrijk, wat verstaan we onder goede en aanvaardbare zorg, en wie is daarvoor verantwoordelijk? Het doel van de avond is   om gezamenlijk te zoeken naar handvatten om dit morele probleem als samenleving te dragen en te verkennen wat er nodig is om de zorg toekomstbestendig te maken.

In het eerste panelgesprek bespreken Danka Stuijver (huisarts en Volkskrant-columnist), Jennifer Bergkamp (wijkverpleegkundige, ‘druktemaker’ en columnist) en Marjolijne Lewis (zorgbestuurder HWW zorg) de concrete gevolgen van schaarste op de zorgpraktijk.

Stuijver herkent de impact van morele stress vanuit haar eigen werk. Ze ziet hoe huisartsen niet meer iedereen kunnen helpen, en hoe de uitstroom toeneemt. Om hun beroep vol te houden, zoeken steeds meer huisartsen naar variatie en energie buiten de spreekkamer. Bovendien wijst Stuijver op een hardnekkig prioriteitsprobleem en ongelijke toegang tot zorg; zo weten mondige patiënten moeiteloos de weg te vinden naar vergoede voorzieningen, terwijl anderen verstrikt raken in het systeem.

Als wijkverpleegkundige laat Bergkamp zien hoe administratiedruk en personeelstekorten leiden tot toenemende morele stress. Dit dwingt medewerkers soms zelfs om taken op te pakken waarvoor ze niet opgeleid zijn. Tegelijkertijd benadrukt Bergkamp de grote onderlinge veerkracht binnen teams: zorgverleners weten elkaar te vinden en lossen acute problemen op (soms “ondanks het beleid, in plaats van dankzij”) door gaten dicht te lopen, al blijven sommige onderliggende systeemfouten daardoor wellicht buiten beeld. Om het tij te keren, pleit zij onder meer voor het intensiever betrekken van mantelzorg en de directe buurt.

Lewis nuanceert de negativiteit rondom de zorg door te benadrukken dat het overgrote deel van de zorg in de basis nog altijd behoorlijk goed verloopt. De frictie op de werkvloer ontstaat volgens haar vooral doordat brede maatschappelijke vraagstukken, zoals eenzaamheid onder ouderen, onterecht op het bordje van de zorg belanden. Ze betoogt dat we zorg moeten zien zoals we naar het milieu kijken: als een gedeelde maatschappelijke verantwoordelijkheid. In de praktijk klinkt dagelijks de noodkreet “het gaat niet meer”, terwijl er in een groot deel van de gevallen geen sprake blijkt van een acute situatie. Doordat ‘zorg’ volgens Lewis steeds meer door mensen als een afneembaar product wordt beschouwd, lijken we te vergeten dat zorgcapaciteit beperkt is. Dat leidt geregeld tot boosheid richting de zorgverlener.

In reactie op Shula Tas’ vraag naar constructieve ideeën voor goede zorg, kijkt het publiek voorbij de roep om meer personeel. Zij pleiten voor preventie, ontregeling en hechtere wijknetwerken. Kennisdeling en het benutten van wat al werkt staan daarbij centraal, boven het optuigen van nieuwe systemen. Ook klinkt de inspirerende oproep om jongeren via opvoeding en onderwijs al vroeg te leren omzien naar elkaar, zodat zorgen weer een vanzelfsprekend onderdeel wordt van ons menszijn.

Het debat leidt tot een pleidooi voor herdefinitie én herwaardering. Door de zorg meer af te bakenen tot het medische domein, wordt het omzien naar elkaar weer een gezamenlijke maatschappelijke taak. Daarnaast vraagt het vak zelf om herwaardering, zodat werkplezier en betekenisgeving van het vak weer voorop komen te staan.

Deze nadruk op de verantwoordelijkheid van de maatschappij vormt de brug naar het tweede panelgesprek. Hierin bespreken Judith Rietjens (hoogleraar Design for Public Health), Kjeld Aij (directeur Erasmus MC, bestuurslid V&VN en voormalig verpleegkundige) en Eveline Tijmstra (Tweede Kamerlid CDA) de stelselmatige en politieke kanten van schaarste in de zorg.

Aij kan zich vinden in de ervaringen van het eerste panel en wijst op het bureaucratische labyrint waarin zorgverleners verstrikt raken. Hij hekelt het financieringsstelsel, dat hij typeert als een “productiedraak”: behandelen wordt beloond, terwijl een goed gesprek om juist géén zorg meer te verlenen de organisatie geld kost en krimp betekent. Toch nuanceert Aij ook het hardnekkige beeld dat de zorg ‘onbetaalbaar’ wordt. Nederland geeft al vijftien jaar een stabiele 10% van het BBP uit aan zorg. Het echte knelpunt zit in het personeelstekort en het schrikbarend hoge ziekteverzuim. Aij vertelt dat het verbeteren van roosters en het aanpakken van fiscale belemmeringen op meer uren werken tienduizenden extra krachten kan opleveren.  “Als je 4 uur per week extra gaat werken en je houdt daar aan het eind van de maand 12 euro aan over… Dat helpt, zeg maar, niet.”

Tijmstra beaamt dit en benadrukt de oproep uit het CEG-rapport aan de politiek om verantwoordelijkheid te nemen voor structurele keuzes. De huidige focus op louter financiën en akkoorden schiet tekort. Toch ziet Tijmstra gelukkig veel hoopvolle initiatieven op de werkvloer. De grootste hobbel blijft de bekostiging. Om versnelling te realiseren, moet de politiek succesvolle projecten aanjagen, samenwerking stimuleren en knellende wet- en regelgeving schrappen. Dat vraagt om bestuurlijke moed, waarin verandering alleen kan slagen als de politiek ruimte durft te geven om te experimenteren én te leren van wat niet direct goed gaat.

Rietjens haakt hierop in door te benadrukken dat een transitie pas slaagt als men ook afscheid durft te nemen van wat niet meer functioneert. Ze deelt wetenschappelijke inzichten over keuzes rond het levenseinde die laten zien hoe de zorgstelseldruk deels voortkomt uit niet-passende zorg: één op de drie mensen in de laatste levensfase wil de medische behandelingen die zij nu krijgen eigenlijk niet meer. Rietjens stelt daarnaast dat zorg ten onrechte uitsluitend als overheidstaak wordt gezien. Ze vraagt om een inclusieve uitbreiding van onze circles of care, zodat we als samenleving weer meer naar elkaar omkijken. Dit nodigt uit tot een brede dialoog over samenredzaamheid: het vermogen om maatschappelijke vraagstukken zoals de zorg op te pakken met de steun van bijvoorbeeld familie, vrienden, buren en vrijwilligers. Daarin hebben we niet langer een werk-privé balans nodig, maar moeten we een werk-privé-zorg balans gaan normaliseren.

Deze maatschappelijke aanpak staat haaks op het idee van een overheid die de zorg volledig kan sturen en oplossen. Sprekers Aij en Tijmstra tonen zich dan ook kritisch op de populair geworden maakbaarheidsgedachte in de zorg. Zij benadrukken dat processen als ouder worden, verlies en rouw wezenlijk bij het leven horen en niet automatisch om medisch ingrijpen vragen. In de zaal vindt deze visie weerklank. Bezoekers vullen aan dat ‘verstandig ouder worden’ vraagt om het tijdig vastleggen van eigen wensen en grenzen. Een arts-onderzoeker uit de zaal onderstreept dit door op te roepen niet uitsluitend te sturen op kwantitatieve indicatoren om te overleven (bloedwaardes, scans, uitslagen), maar vooral op kwalitatieve indicatoren die gaan over wat iemands leven betekenis kan geven.  Denk aan het naar school kunnen brengen van de kleinkinderen. Tot slot adresseren aanwezigen praktische drempels, zoals de lange procedures en strenge taaleisen die zorgverleners met een migratieachtergrond hinderen om direct aan de slag te gaan. Hier liggen onbenutte kansen.

Martine de Vries sluit de avond af met een inspirerende boodschap. Het was een bijeenkomst vol energie, scherpe vragen en gedeelde ervaringen, waarin ongemakkelijke maar noodzakelijke kwesties niet zijn geschuwd. Voeden we de ‘productiedraak’? Hoe scheiden we medische zorg van breder welzijn? En waar liggen onze prioriteiten? De krachtigste belofte van de avond ligt in de oproep om als samenleving weer samen te leren leven en zorgen, en daarover het maatschappelijke en politieke gesprek aan te gaan. Door de randvoorwaarden te scheppen om zorgzaamheid vanzelfsprekend onderdeel uit te laten maken van onze cultuur, breiden we onze circles of care uit. Zo beantwoorden we schaarste niet met meer papierwerk, maar met een hechte, samenredzame gemeenschap.

Dit verslag is geschreven door Menno Govaers.